Opent in een nieuw tabblad
woensdag 7 oktober 2026
Kijk | Ontdek | Luister | mee op nu.cw

Op Curaçao wordt steeds vaker gesproken over voedselzekerheid. Dat is terecht. Een eiland dat voor zijn voedselvoorziening vrijwel volledig afhankelijk is van import, kan internationale verstoringen niet blijven behandelen als een probleem dat zich pas aandient wanneer de containers uitblijven. Maar het gevaar bestaat dat we opnieuw beginnen met projecten, commissies en mooie woorden zonder eerst precies vast te stellen wat het probleem inhoudt.

Er is wel onderzoek gedaan. In de Curaçao Food Security Assessment uit 2023 stelt de Wereldbank dat ongeveer 95 procent van het voedsel op Curaçao wordt geïmporteerd. Het rapport benoemt ook de bekende beperkingen: weinig geschikte landbouwgrond, slechte bodemkwaliteit, waterschaarste, verzilting en hoge energiekosten. Dat is een belangrijke diagnose. Maar een diagnose is nog geen operationeel voedselplan.

De praktische vraag zou moeten zijn: wat gebeurt er wanneer Curaçao gedurende dertig dagen geen voedsel kan invoeren? Hoeveel mensen bevinden zich dan op het eiland, inclusief toeristen? Hoeveel calorieën, drinkwater, babyvoeding en medische voeding zijn dagelijks nodig? Hoeveel rijst, meel, bonen, olie en melkpoeder liggen daadwerkelijk opgeslagen? Wie bezit die voorraden, waar worden ze bewaard en hoelang zijn ze houdbaar? Hoe worden ze verdeeld wanneer winkels niet meer normaal kunnen worden bevoorraad? En wat gebeurt er met de voedselvoorziening wanneer tegelijkertijd elektriciteit, brandstof of onderdelen voor de waterproductie schaars worden?

Voor zover publiek zichtbaar, bestaat van deze samenhangende vragen nog geen actuele en controleerbare nulmeting. We weten daardoor niet hoeveel dagen Curaçao werkelijk zelfstandig kan functioneren. Misschien zijn het er twintig. Misschien tien. Misschien minder. Zonder cijfers blijft voedselzekerheid een geruststellend begrip waar iedereen iets anders onder verstaat.

Daar komt de vraag naar lokale productie bij. Vaak wordt gedacht dat Curaçao eenvoudigweg meer moet gaan verbouwen. Maar volledige zelfvoorziening is door de beperkte ruimte, het klimaat en de hoge productiekosten niet realistisch. Het eiland hoeft ook geen rijst, tarwe en alle plantaardige olie zelf te produceren. Zulke producten zijn lang houdbaar en kunnen veel goedkoper als strategische voorraad worden opgeslagen. Lokale productie moet zich vooral richten op producten die snel bederven of tijdens een crisis moeilijk verkrijgbaar worden: zoete aardappel, cassave, pompoen, bonen, eieren, fruit, groenten en eventueel vis uit gecontroleerde aquacultuur.

Ook daarvoor is eerst een inventarisatie nodig. Niet alleen hoeveel grond Curaçao heeft, maar hoeveel hectare daadwerkelijk geschikt is voor voedselproductie. Waar ligt die grond? Wie is de eigenaar? Is de bodem schoon? Is er water beschikbaar? Kan gezuiverd afvalwater worden gebruikt? Welke terreinen moeten juridisch tegen woningbouw, resorts en speculatie worden beschermd? Zonder antwoorden op deze vragen verliest landbouw het uiteindelijk altijd van vastgoed. Een boer kan nu eenmaal moeilijk concurreren met een projectontwikkelaar.

Technologie kan helpen, maar ook daar moeten we realistisch blijven. Hydroponics, schaduwkassen en vertical farming kunnen groenten efficiënter produceren en besparen grond en water. Ze produceren echter geen goedkope massa’s rijst, meel, cassave of bakolie. Een moderne installatie vol sla oogt indrukwekkend, maar voorkomt geen honger wanneer de basiscalorieën ontbreken. Bovendien blijven dergelijke systemen afhankelijk van elektriciteit, voedingsstoffen, technische onderdelen en specialistische kennis.

Hetzelfde geldt voor eieren, kippen en viskweek. Productie op Curaçao is nog niet automatisch Curaçaose voedselzekerheid wanneer het veevoer, de medicijnen of het visvoer volledig worden ingevoerd. De hele keten moet worden bekeken: van zaad, water en voer tot energie, opslag, koeling, transport en distributie. Eén ontbrekende schakel kan de rest van het systeem stilleggen.

Een realistische aanpak bestaat daarom uit drie delen. Ten eerste een roulerende strategische voorraad basisvoedsel voor minimaal dertig dagen. Ten tweede lokale productie van verse, voedzame en droogteresistente producten. Ten derde gegarandeerde voorzieningen voor water, energie, zaden, veevoer, koeling en distributie. Wat richting de houdbaarheidsdatum gaat, kan via winkels, scholen, zorginstellingen en voedselprogramma’s worden gebruikt en daarna worden vervangen. Zo blijft de voorraad bruikbaar en worden verspilling en onnodige kosten beperkt.

De eerste stap is dus niet opnieuw een los landbouwproject. Curaçao heeft een nationale voedselbalans en een dertigdagentest nodig. Daarin moet per product worden vastgesteld hoeveel dagelijks nodig is, hoeveel lokaal wordt geproduceerd, hoeveel wordt ingevoerd, welke voorraad aanwezig is en waar de grootste kwetsbaarheid zit. Die informatie moet periodiek worden bijgewerkt en bestuurlijk worden bewaakt.

Voedselzekerheid begint niet met een persconferentie of het planten van een paar voorbeeldtuinen. Zij begint met weten wat Curaçao heeft, wat het mist en hoeveel dagen het eiland werkelijk kan overbruggen. Eerst tellen. Daarna gericht produceren, opslaan en organiseren. Anders ontdekken we pas tijdens een crisis wat we vóór die crisis hadden moeten weten.

Auteur: Orlando Meulens

Bezoekers van Nu.cw kunnen ingezonden reacties mailen naar redactie@nu.cw. Lezers die brieven, ingezonden stukken of reacties sturen ter publicatie, verlenen door inzending onbeperkt toestemming het materiaal te publiceren. NU.cw is niet verantwoordelijk voor de inhoud van ingezonden reacties.

Beeld: Archief