Curaçao, Aruba en Bonaire hebben te maken met een hardnekkig afvalprobleem. Volgens dagblad Trouw komt dat onder meer doordat producenten in Europees Nederland wettelijk verantwoordelijk zijn voor de inzameling en recycling van verpakkingen, terwijl vergelijkbare regels niet gelden in het Caribische deel van het Koninkrijk.
Daardoor komen grote hoeveelheden plastic verpakkingen op de eilanden terecht zonder dat producenten financieel of organisatorisch verantwoordelijk zijn voor de verwerking ervan. Curaçao importeert onder meer drankflessen en andere verpakkingen uit Europa en de Verenigde Staten. Door de beperkte schaal van het eiland ontbreekt vervolgens de capaciteit om al het afval te recyclen.
Trouw sprak hierover met Sabine Berendse van Green Phenix, een initiatief dat op Curaçao onder meer zwerfafval verzamelt en verwerkt tot nieuwe producten. Berendse houdt zich al jaren bezig met het opruimen van afval, aanvankelijk vooral om de leefomgeving van zeeschildpadden te beschermen. Green Phenix heeft daarnaast een sociale doelstelling en begeleidt mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Volgens Berendse kwam het verzamelde afval na opruimacties uiteindelijk vaak alsnog op de vuilnisbelt terecht. Daarmee werd het probleem volgens haar slechts verplaatst. Zij waarschuwt bovendien dat de vuilnisbelt op Curaçao binnen enkele jaren vol dreigt te raken.
Afvalprobleem op meerdere eilanden
Het probleem beperkt zich volgens Trouw niet tot Curaçao. Ook Aruba, Bonaire en Sint-Maarten kampen met grote hoeveelheden zwerfafval en stortplaatsen die vol raken of ernstig vervuild zijn.
Op Bonaire kreeg de situatie de afgelopen jaren veel aandacht. De stortplaats Lagun is zwaar vervuild en op de locatie ontstaan regelmatig branden. Dat brengt volgens betrokkenen risico’s met zich mee voor het milieu en de gezondheid van omwonenden.
Onderzoeker Eric Mijts van de Universiteit van Aruba ziet een structurele oorzaak. Hij maakt deel uit van een internationale denktank die onderzoek doet naar de ‘Stofwisseling van Eilanden’. Volgens Mijts zijn eilanden door hun geïsoleerde positie sterk afhankelijk van goederen die van buiten worden aangevoerd.
Hij vergelijkt een eiland met een lichaam waar goederen en mensen voortdurend in- en uitstromen. Door de wereldwijde handel komen producten uit veel verschillende landen op de eilanden terecht. Het probleem ontstaat wanneer die producten aan het einde van hun levensduur afval worden.
Het gaat volgens de onderzoeker niet alleen om plastic flessen en blikjes. Ook verpakkingen van online bestellingen, auto’s, matrassen en andere goederen komen uiteindelijk op de eilanden terecht. De vraag is vervolgens wat er met die producten gebeurt wanneer ze niet meer bruikbaar zijn.
Veel minder recycling
Nederland heeft volgens het artikel een relatief uitgebreid systeem voor afvalinzameling en recycling. Meer dan de helft van het materiaal wordt daar gerecycled. Wereldwijd ligt dat percentage veel lager. Volgens cijfers die de denktank eerder presenteerde, wordt in eilandstaten slechts ongeveer 1 procent van het afval gerecycled.
Daarmee vormen veel eilanden volgens de onderzoekers het eindpunt van een lineaire economie. Producten worden geïmporteerd, gebruikt en uiteindelijk weggegooid, terwijl de infrastructuur om materialen opnieuw te gebruiken grotendeels ontbreekt.
Mijts stelt dat oplossingen die in Nederland op grote schaal worden toegepast niet zomaar op kleine eilanden kunnen worden overgenomen. Er is volgens hem onvoldoende kennis, capaciteit en schaal om dezelfde systemen zelfstandig te organiseren.
Ook het terugsturen van afval naar de landen waar producten vandaan komen, is volgens Mijts geen eenvoudige oplossing. Producerende landen hebben volgens hem weinig belangstelling om het afval van kleine eilanden opnieuw te importeren.
Producenten verantwoordelijk
Een belangrijk verschil met Europees Nederland is de zogenoemde uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, of UPV. Producenten en importeurs van bepaalde producten en verpakkingen zijn daar verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van afval dat hun producten veroorzaken.
Voor plastic verpakkingen bestaat in Nederland onder meer een systeem waarbij producenten via Verpact bijdragen aan de inzameling en recycling.
Een dergelijk systeem ontbreekt volgens Trouw in de Caribische delen van het Koninkrijk. Berendse pleit daarom al langere tijd voor uitbreiding van producentenverantwoordelijkheid naar Curaçao. Zij startte daarvoor twee jaar geleden een petitie.
Volgens Berendse leidt het ontbreken van zo’n systeem tot een dubbel probleem. Curaçao heeft niet alleen onvoldoende middelen om afval te verwerken, maar kan ook producten ontvangen die niet aan dezelfde eisen voldoen als producten die in Europa op de markt komen.
Als voorbeeld noemt zij flessen met pvc-lijmresten in etiketten. Volgens Berendse voldoen dergelijke verpakkingen niet aan Europese standaarden, terwijl ze op Curaçao wel kunnen worden verkocht.
Bijdrage vanuit Nederland
Het invoeren van een UPV-systeem op kleine eilanden is volgens Mijts niet eenvoudig. Op Curaçao, Aruba en Bonaire zijn nauwelijks producenten gevestigd. De verantwoordelijkheid zou daarom vooral bij importeurs komen te liggen.
Mijts ziet daarom een andere mogelijkheid: bedrijven die hun producten via Nederland op de markt brengen zouden via organisaties als Verpact financieel kunnen bijdragen aan de afvalverwerking op de eilanden.
Volgens Mijts zou meer solidariteit binnen het Koninkrijk wenselijk zijn. Berendse ziet het probleem eveneens als een kwestie van ongelijkheid binnen het Koninkrijk. Het gaat volgens haar bovendien om meer dan alleen plastic afval.
Een financiële bijdrage vanuit producenten zou volgens Berendse kunnen helpen om systemen voor gescheiden inzameling en statiegeld op Curaçao op te zetten. Bij lokale initiatieven ziet Green Phenix volgens haar dat een financiële prikkel ervoor kan zorgen dat meer mensen afval inzamelen.
Trouw concludeert dat de afvalproblematiek op de Caribische eilanden niet alleen een lokaal milieuprobleem is. De eilanden zijn onderdeel van internationale goederenstromen, maar beschikken niet over dezelfde middelen en regelgeving om de afvalstromen aan het einde van de keten te verwerken. Daardoor blijven Curaçao, Aruba, Bonaire en Sint-Maarten volgens de betrokken deskundigen kwetsbaar voor steeds grotere hoeveelheden afval.












