vrijdag 11 september 2026
Kijk | Ontdek | Luister | mee op nu.cw

Een artikel van Ricardo Abdoel op LinkedIn zette mij onlangs opnieuw aan het denken. Onder de titel ‘The Caribbean diaspora is one of the most underused governance resources this region has’ stelt hij een interessante vraag: hoeveel kennis die het Caribisch gebied de komende jaren nodig heeft, bevindt zich eigenlijk al binnen onze diaspora?

Zijn gedachte sluit aan bij iets waarover ik de afgelopen tijd vaker heb geschreven. Curaçao moet zijn ontwikkeling anders gaan organiseren. Wij zijn een klein eiland in een wereld waarin technologische, economische en maatschappelijke veranderingen steeds sneller gaan. AI, watertechnologie, energie, gezondheidszorg, digitalisering en financiële systemen worden steeds complexer.

Een samenleving van onze omvang kan onmogelijk alle specialistische kennis die daarvoor nodig is permanent zelf bezitten. Maar misschien hoeft dat ook helemaal niet.

Over de wereld verspreid bevindt zich immers een veel groter Curaçaos menselijk kapitaal dan de bevolking die fysiek op het eiland woont. Curaçaoënaars hebben in Nederland, de Verenigde Staten en andere landen gestudeerd, ondernemingen opgebouwd en carrières ontwikkeld binnen universiteiten, ziekenhuizen, bedrijven, financiële instellingen, overheden en technologische organisaties.

Vaak spreken wij over deze diaspora alsof het mensen zijn die wij ooit moeten zien terug te halen. Daar zit volgens mij een denkfout. Iemand die twintig of dertig jaar in het buitenland heeft gewerkt, heeft daar ondertussen een gezin, carrière, huis, netwerk en pensioen opgebouwd. Bovendien kan juist de omgeving waarin deze persoon werkt de bron zijn van de kennis die voor Curaçao waardevol is.

Waarom zouden wij eisen dat iemand dat allemaal opgeeft voordat hij of zij iets voor Curaçao kan betekenen? Wij hoeven de mensen niet noodzakelijk terug te halen. Wij moeten ervoor zorgen dat hun kennis kan circuleren.

Daarbij hoort ook een andere verhouding tussen Curaçao en zijn diaspora. Te gemakkelijk ontstaat het idee dat iemand die op Curaçao geboren is en in het buitenland succesvol is geworden, iets aan het eiland verschuldigd is. Hij of zij zou uit liefde voor Curaçao moeten terugkeren of de opgebouwde expertise gratis beschikbaar moeten stellen.

Dat lijkt mij geen gezonde basis voor een duurzame relatie. Veel leden van de diaspora hebben juist hard moeten werken om hun positie in het buitenland te bereiken. Liefde voor Curaçao kan een krachtige motivatie zijn om bij te dragen, maar liefde kan niet het betalingsmiddel worden waarmee professionele kennis wordt afgerekend.

Het moet een relatie van wederzijds voordeel zijn. Dat betekent niet dat Curaçao internationale consultancytarieven moet betalen iedere keer dat iemand uit de diaspora meedenkt. Er zijn allerlei andere constructies mogelijk: tijdelijke projecten, hybride adviesfuncties, deelname aan commissies, mentoring, gastcolleges, onderzoek, toezichthoudende functies of samenwerking tussen buitenlandse en Curaçaose organisaties.

Het uitgangspunt moet steeds hetzelfde blijven: zowel Curaçao als de deelnemer moet waarde uit de samenwerking halen. Er zit echter ook een gevoelig punt aan deze gedachte. Het structureel beschikbaar maken van diaspora-expertise vergroot de kring van mensen die kunnen deelnemen aan advisering, bestuur en ontwikkeling van het eiland. In een kleine samenleving kan schaarste aan expertise ook invloed geven.

Wanneer steeds uit dezelfde relatief kleine groep adviseurs, bestuurders en intellectuelen wordt gekozen, kan een professioneel diasporanetwerk als bedreigend worden ervaren. Dat risico moeten wij niet ontkennen. Tegelijkertijd zou het verkeerd zijn om vervolgens de andere kant op te slaan en te veronderstellen dat iemand die in Nederland, Amerika of elders carrière heeft gemaakt automatisch meer weet dan iemand die op Curaçao woont.

Lokale professionals beschikken over iets wat even belangrijk is: kennis van de dagelijkse werkelijkheid, de cultuur, de instituties en de beperkingen van het eiland. De kracht ontstaat wanneer beide vormen van kennis bij elkaar worden gebracht. Het gaat dus niet om diaspora tegenover lokale deskundigheid. Het gaat om het vergroten van het totale kennisvermogen van Curaçao.

Tijdens het WK hebben wij misschien al een glimp gezien van wat mogelijk is. Het maakte toen nauwelijks uit waar iemand woonde. Curaçaoënaars en mensen die zich met het eiland verbonden voelen, beleefden gezamenlijk hetzelfde moment. Curaçao werd voor even groter dan zijn geografische grenzen.

Niemand hoefde terug te emigreren om deel uit te maken van dat gevoel. Misschien ligt daar een les die veel verder gaat dan voetbal. Verbondenheid met Curaçao wordt niet uitsluitend bepaald door een woonadres.

Daarom zouden wij een professioneel Curaçaos diasporanetwerk moeten ontwikkelen waarin kennis en expertise wereldwijd in kaart worden gebracht. Niet als weer een nieuwe bureaucratische organisatie met directeuren, kantoren en hoge overheadkosten, maar als een praktische infrastructuur die een probleem op Curaçao kan koppelen aan de juiste combinatie van lokale en internationale Curaçaose expertise.

Heeft Curaçao kennis nodig over watertechnologie? Zoek dan niet alleen op het eiland, maar ook onder Curaçaoënaars die bij buitenlandse waterbedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen werken. Hetzelfde kan gebeuren bij energie, gezondheidszorg, AI, financiële dienstverlening, onderwijs, havenontwikkeling en circulaire economie. Daarbij moet iedere opdracht zoveel mogelijk worden gekoppeld aan lokale professionals, zodat kennis niet alleen wordt ingevlogen, maar ook op het eiland wordt opgebouwd.

Ricardo Abdoel laat met zijn artikel eigenlijk zelf zien wat daarmee wordt bedoeld. Vanuit Nederland gebruikt hij zijn ervaring om na te denken over een bestuurlijk vraagstuk dat het Caribisch gebied raakt. Dat is geen afstand tot het eiland. Dat is een andere vorm van betrokkenheid.

Er zullen wereldwijd veel meer mensen zijn die hetzelfde kunnen en willen doen wanneer wij daarvoor een professionele structuur creëren. Misschien moeten wij daarom ophouden onze diaspora steeds dezelfde vraag te stellen: wanneer komen jullie terug?

De betere vraag is: hoe kunnen wij ervoor zorgen dat jullie kennis, ervaring en internationale netwerken onderdeel worden van de ontwikkeling van Curaçao, terwijl jullie het leven dat jullie elders hebben opgebouwd gewoon kunnen behouden?

Geen verplichting. Geen schuldgevoel. Geen schaamte omdat iemand niet is teruggekeerd. Wel wederkerigheid, professionaliteit en liefde voor het eiland. Curaçao hoeft zijn diaspora niet terug te halen om sterker te worden. Het moet leren zijn diaspora te verbinden.

De diaspora blij. Het eiland blij.

Misschien ligt juist daar een deel van het menselijk kapitaal dat wij voor onze volgende ontwikkelingsfase nodig hebben.

Orlando Meulens

Bezoekers van Nu.cw kunnen ingezonden reacties mailen naar redactie@nu.cw. Lezers die brieven, ingezonden stukken of reacties sturen ter publicatie, verlenen door inzending onbeperkt toestemming het materiaal te publiceren. NU.cw is niet verantwoordelijk voor de inhoud van ingezonden reacties.

Beeld: AI-gegenereerd