Lang voordat ik ooit iets van Curaçaose politiek begreep, kende Europa al Reinaert de Vos. Een middeleeuws verhaal over een vos die iedereen te slim af is. Reinaert is niet de sterkste. Hij beschikt niet over een leger en heeft formeel nauwelijks macht. Zijn kracht zit ergens anders: hij begrijpt de zwakheden van anderen. Koning Nobel is hebzuchtig, Bruun de beer kan honing niet weerstaan en andere hovelingen worden gedreven door ijdelheid, macht, begeerte of eigenbelang. Reinaert observeert dat en gebruikt het.
Zelfs wanneer hij ter verantwoording wordt geroepen, weet hij het systeem zodanig te manipuleren dat hij eraan ontsnapt. Daarom is Van den vos Reynaerde veel meer dan een grappig dierenverhaal. Het is een satire op de samenleving van de dertiende eeuw. Het laat zien dat een bestuurlijk systeem kwetsbaar wordt wanneer degenen die het moeten bewaken zelf vatbaar zijn voor hebzucht, ijdelheid en eigenbelang. Reinaert kan zijn spel spelen omdat de omgeving waarin hij opereert hem daarvoor de ruimte geeft. Toen ik daarover nadacht, moest ik onvermijdelijk denken aan onze eigen Kompa Nanzi.
Ook Nanzi is klein. Ook hij kan de sterkeren niet met fysieke kracht verslaan en ook hij gebruikt daarom zijn verstand, taal, humor, misleiding en zijn vermogen om de zwakke plekken van anderen te ontdekken. Alleen heeft Nanzi voor ons een veel diepere historische betekenis. De Anansi-verhalen hebben hun wortels in West-Afrika en reisden met tot slaaf gemaakte Afrikanen naar het Caribisch gebied.
In een wereld waarin de macht niet bij hen lag, werd slimheid een manier om toch enige controle over het eigen bestaan te behouden. Wie het systeem niet kon veranderen, probeerde het systeem te slim af te zijn. Daarom moeten we voorzichtig zijn met Nanzi. Hij is niet het probleem. Hij was ooit onderdeel van de oplossing. Maar daar begint voor mij een ongemakkelijke vraag: wat gebeurt er wanneer een overlevingsstrategie blijft voortbestaan nadat de omstandigheden waarin zij noodzakelijk was, formeel zijn veranderd?
Curaçao heeft de slavernij achter zich gelaten. In 1954 kwam het Statuut voor het Koninkrijk en sinds 10 oktober 2010 is Curaçao een autonoom land binnen het Koninkrijk. We hebben een parlement, ministers, rechters, toezichthouders, ambtenaren, onderwijsinstellingen en een democratisch bestel. Maar instituties kun je bij wet oprichten. Een bestuurscultuur verander je niet bij landsverordening. Eeuwenlang was Curaçao een samenleving waarin macht sterk hiërarchisch georganiseerd was. De grote meerderheid bepaalde de regels niet. Wie onderaan stond, moest leren omgaan met degenen boven hem. Relaties waren belangrijk, weten wie je moest kennen was belangrijk en weten wanneer je moest zwijgen eveneens. Wanneer de formele weg niet voor jou werkte, zocht je een informele. Dat gedrag was in die historische context begrijpelijk. Maar wanneer een samenleving zichzelf gaat besturen, ontstaat een fundamenteel probleem: dan zijn “zij” die het systeem vertegenwoordigen uiteindelijk “wij” geworden.
En toch kan de oude reflex blijven bestaan. Dan wordt een vriend bellen soms gemakkelijker dan een procedure volgen. Dan kan partijloyaliteit zwaarder wegen dan institutionele verantwoordelijkheid. Dan wordt een uitzondering regelen gezien als bestuurlijke slimheid, kritiek als persoonlijke vijandschap en een functie als iets wat iemand wordt gegund in plaats van een verantwoordelijkheid waarvoor de meest geschikte persoon moet worden gezocht. Dat noem ik niet simpelweg corruptie. Daarmee zouden we het probleem te gemakkelijk bij slechte individuen neerleggen. Ik zie het eerder als institutioneel Nanzi-gedrag: gedrag dat ooit hielp om binnen een ongelijk systeem te overleven, maar ontwikkeling begint te belemmeren wanneer het onderdeel wordt van de manier waarop wij onze eigen instituties laten functioneren.
Mijn eigen politieke ervaring heeft mij daar veel over geleerd. Begin jaren negentig was ik betrokken bij de oprichting van de PAR onder leiding van wijlen Miguel Pourier, voormalig bankier en later premier. De naam zei precies wat de beweging toen wilde: Partido Antiá Restrukturá. De Nederlandse Antillen moesten volgens ons niet zomaar verdwijnen. Het land moest beter worden georganiseerd, financieel gezonder worden en bestuurlijk worden geherstructureerd. Ik geloofde daarin en daarom hielp ik eraan mee.
Maar uiteindelijk heb ik afstand genomen toen ik zag dat ook deze beweging steeds meer terechtkwam in de Curaçaose politieke dynamiek die wij juist probeerden te veranderen. Ik schrijf dat niet om oude politieke rekeningen te vereffenen. Integendeel. Inmiddels zie ik daarin een veel belangrijkere les. Misschien hebben wij destijds te veel gedacht dat wanneer je de structuur verandert, het gedrag vanzelf mee verandert. Dat blijkt niet zo te werken. Je kunt ministeries reorganiseren, nieuwe partijen oprichten, de Nederlandse Antillen herstructureren en uiteindelijk zelfs een autonoom Land Curaçao creëren. Maar wanneer het onderliggende institutionele bewustzijn onvoldoende verandert, keert hetzelfde gedrag terug binnen de nieuwe structuur. De spelers veranderen. Het spel veel minder.
En precies daar ontmoeten Reinaert en Nanzi elkaar. Het hof van koning Nobel beschikte immers ook over regels, gezag en hiërarchie. Toch kon Reinaert het systeem telkens manipuleren omdat hij wist dat achter die formele structuur gewone wezens zaten met gewone zwakheden: hebzucht, angst, ijdelheid en eigenbelang. Een rechtsstaat kan daarom nooit uitsluitend bestaan uit wetten en organisatieschema’s. Hij bestaat uiteindelijk uit mensen die bereid moeten zijn zichzelf aan die regels te onderwerpen, juist wanneer het persoonlijk beter uitkomt om dat niet te doen. Dat is op een klein eiland extra ingewikkeld. Curaçao telt ongeveer 158.000 inwoners.
We kennen elkaar, kennen elkaars familie, hebben samen op school gezeten of ontmoeten elkaar binnen dezelfde partij, kerk, sportvereniging, onderneming of vriendenkring. Die verbondenheid is een kracht van onze samenleving, maar bestuurlijk kan zij ook een zwakte worden wanneer de persoonlijke relatie belangrijker wordt dan de institutionele verantwoordelijkheid. Daar komt bij dat een aanzienlijk deel van onze bevolking economisch kwetsbaar blijft. Volgens de Census 2023 leefde ongeveer 30,4 procent van de huishoudens onder de gehanteerde armoedegrens. Dat is niet alleen een sociaal en economisch vraagstuk.
Het heeft ook gevolgen voor onze bestuurscultuur. Van iemand die voor een baan, vergunning, woning of andere mogelijkheid sterk afhankelijk is van degenen met macht, kunnen we moeilijk dezelfde onafhankelijkheid verwachten als van iemand die zich kan veroorloven om “nee” te zeggen. Economische afhankelijkheid kan zo politieke afhankelijkheid voeden en politieke afhankelijkheid houdt vervolgens het systeem in stand.
Hiermee komen we bij de vraag die mij tegenwoordig veel meer bezighoudt dan welke partij de volgende verkiezingen wint: hoe maken we van Curaçao een samenleving die Nanzi niet langer nodig heeft om vooruit te komen? Het antwoord kan volgens mij niet opnieuw uitsluitend uit de politiek komen. We moeten eerder beginnen. Bij het kind dat op school leert dat kritisch denken geen ongehoorzaamheid is.
Bij de ambtenaar die weet dat zijn professionele oordeel wordt beschermd wanneer hij tegen een minister zegt dat iets niet kan. Bij de bestuurder die begrijpt dat een publieke functie geen persoonlijke status geeft, maar tijdelijke verantwoordelijkheid. Bij de ondernemer die een opdracht kan winnen zonder iemand te hoeven kennen. Bij de burger die geen politicus nodig heeft om te krijgen waar hij volgens de regels al recht op heeft. Daar hoort ook een overheid bij die consequent betrouwbaar is, want we kunnen van burgers moeilijk vertrouwen in instituties verlangen wanneer die instituties zelf willekeurig handelen. En daar hoort een economie bij die mensen voldoende zelfstandigheid geeft om zonder angst voor hun inkomen of toekomst tegen de macht in te kunnen gaan.
Daarom moeten we onze kinderen niet leren minder Nanzi te zijn. Integendeel. De intelligentie van Nanzi — creativiteit, improvisatievermogen, humor, veerkracht en het vermogen mogelijkheden te zien waar anderen alleen obstakels zien — behoort misschien juist tot onze sterkste culturele kwaliteiten. Maar die intelligentie moet een andere bestemming krijgen. Niet langer vooral gebruiken om te ontdekken hoe we om het systeem heen kunnen, maar om te ontdekken hoe we samen een beter systeem kunnen bouwen.
Misschien verklaart dat ook waarom zoveel hervormingspogingen op Curaçao uiteindelijk minder hebben opgeleverd dan hun bedenkers hadden gehoopt. We veranderen regeringen, partijen, wetten, structuren en namen, terwijl we onvoldoende investeren in de gedragingen die nodig zijn om die instituties goed te laten functioneren. Mijn generatie heeft daar zelf aan meegedaan. Ik stond erbij toen we met de PAR probeerden de Nederlandse Antillen te herstructureren. Ik geloofde toen dat een betere structuur ons verder zou brengen. Ruim dertig jaar later denk ik dat de volgende stap dieper moet gaan.
Onderwijs moet daarin een centrale plaats krijgen, maar ook onafhankelijke instituties, professioneel toezicht, economische zelfstandigheid, maatschappelijke tegenspraak en een langetermijnvisie die niet iedere vier jaar opnieuw afhankelijk wordt van de politieke machtsverhoudingen.
Curaçao hoeft Nanzi daarom niet af te wijzen. We moeten begrijpen waarom hij is ontstaan, erkennen hoe waardevol zijn intelligentie voor onze voorouders was en vervolgens de historische stap durven zetten die bij een volwassen autonome samenleving hoort. Onze voorouders moesten leren hoe zij konden overleven in een systeem dat niet van hen was. Wij moeten leren hoe wij verantwoordelijkheid dragen voor een systeem dat inmiddels wél van ons is. Daar ligt voor mij de werkelijke betekenis van autonomie.
Niet alleen in 10-10-10, een vlag, een volkslied, een regering of een eigen parlement. Autonomie wordt volwassen wanneer de burger erop kan vertrouwen dat dezelfde regel voor vriend en tegenstander geldt, wanneer een ambtenaar professioneel kan handelen zonder angst, wanneer competentie zwaarder weegt dan loyaliteit en wanneer niemand een politicus hoeft te kennen om te krijgen waar hij recht op heeft. Reinaert leert ons na bijna achthonderd jaar bovendien nog iets anders: er zullen altijd mensen zijn die proberen een systeem te bespelen. De oplossing is daarom niet wachten op betere mensen, maar betere instituties bouwen die menselijk gedrag begrijpen en macht begrenzen.
Misschien moeten we Kompa Nanzi daarom niet begraven. We moeten hem promoveren: van meester in het overleven naar architect van onze ontwikkeling.
Orlando Meulens
Bezoekers van Nu.cw kunnen ingezonden reacties mailen naar redactie@nu.cw. Lezers die brieven, ingezonden stukken of reacties sturen ter publicatie, verlenen door inzending onbeperkt toestemming het materiaal te publiceren. NU.cw is niet verantwoordelijk voor de inhoud van ingezonden reacties.












