De discussie rond de gokindustrie op Curaçao begint steeds meer op een waarschuwing te lijken. Wat ooit werd gepresenteerd als een kans om nieuwe inkomsten voor het Land te genereren, heeft geleid tot politieke controverse, vragen over toezicht, reputatierisico’s en een sector waarvan zelfs de toegang tot het reguliere financiële systeem problematisch blijkt. Dat laatste is geen politieke mening.
De Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten constateert zelf dat high-risksectoren, waaronder casino’s, moeilijk toegang krijgen tot financiële dienstverlening. Banken moeten rekening houden met witwasrisico’s, compliance-eisen en uiteindelijk ook met hun relaties met internationale correspondentbanken. (Centrale Bank Curaçao en Sint Maarten)
Tegelijkertijd probeert Curaçao orde op zaken te stellen. Sinds december 2024 geldt de Landsverordening op de Kansspelen en is het toezicht op online gaming ondergebracht bij de Curaçao Gaming Authority. De nieuwe wet moet juist de jarenlang bestaande problemen rond toezicht, transparantie, integriteit en consumentenbescherming aanpakken. (Curaçao Gaming Authority)
Dat is noodzakelijk. Maar misschien stellen wij de verkeerde vraag. De discussie gaat nu vooral over hoeveel geld Curaçao uit online gaming kan halen, hoeveel vergunningen kunnen worden verstrekt en hoe de sector beter kan worden gereguleerd.
Mijn vraag is fundamenteler: Waarom gokken wij überhaupt zo zwaar op een economische activiteit waarvan de belangrijkste toegevoegde waarde grotendeels buiten Curaçao wordt geproduceerd?
En nog belangrijker: Waarom zoeken wij zo hard naar snelle inkomsten terwijl Curaçao over kennis, infrastructuur, ligging en ervaring beschikt waarmee veel duurzamere economische activiteiten kunnen worden opgebouwd?
Geld verdienen is nog geen economische ontwikkeling. Daar zit volgens mij een denkfout die Curaçao vaker maakt. We zoeken een activiteit die geld kan opleveren en noemen dat vervolgens economische ontwikkeling. Maar een vergunning verkopen is iets anders dan een industrie bouwen.
Een echte industrie creëert kennis. Zij leidt mensen op. Zij creëert leveranciers. Zij trekt andere bedrijven aan. Zij bouwt infrastructuur. Zij stimuleert onderzoek. En de kennis die daarbij ontstaat, kan vervolgens opnieuw worden verkocht.
Daar ontstaat economische vermenigvuldiging. Dat is geen theoretisch verhaal. Kijk naar Singapore. Singapore begon ooit met arbeidsintensieve productie. Vervolgens werd bewust doorgeschakeld naar precision engineering en elektronica, daarna naar hoogwaardige technologie, farmacie, financiële dienstverlening, logistiek, onderzoek en innovatie.
Dat gebeurde niet toevallig. De Singapore Economic Development Board kreeg expliciet de opdracht om investeringen te koppelen aan ontwikkeling van industrie, kennis, productiviteit en talent. Vandaag vallen sectoren waarvoor deze organisatie verantwoordelijk is onder meer onder activiteiten die gezamenlijk meer dan een derde van het Singaporese bbp vertegenwoordigen. (Economische Ontwikkelingsraad)
Singapore vroeg dus niet alleen: Wie wil hier investeren? Het vroeg: Welke economische competenties willen wij over twintig jaar bezitten? Dat is een totaal andere manier van denken. En precies die omslag heeft Curaçao nodig.
Onze beperkingen kunnen onze industrie worden. Neem water. Curaçao produceert al generaties drinkwater uit zeewater. Wij beschouwen dat vooral als een nutsvoorziening. Maar kijk naar Israël. Dat land had een probleem: structurele waterschaarste. In plaats van alleen water te produceren, werd rondom dat probleem kennis opgebouwd over irrigatie, hergebruik, ontzilting en watermanagement. Volgens de Wereldbank groeide daaruit een watertechnologiesector met honderden bedrijven en startups en miljarden dollars aan economische activiteit. (World Bank Blogs).
Het probleem werd uiteindelijk kennis. En de kennis werd een exportproduct. Waarom zou Curaçao dat principe niet kunnen toepassen? Wij hebben zon. Wij hebben zeewater. Wij hebben wind. Wij hebben een natuurlijke diepwaterhaven. Wij liggen tussen Noord- en Zuid-Amerika. Wij functioneren binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Wij spreken meerdere talen.
En wij hebben bijna een eeuw ervaring met het produceren van drinkwater onder omstandigheden waar andere delen van de wereld door klimaatverandering steeds vaker mee geconfronteerd zullen worden. Dat zijn geen aardige weetjes voor een toeristische brochure. Dat zijn economische assets.
Bouw industrieën rond wat Curaçao al weet. Daarom zou ik voor de komende tien tot twintig jaar niet beginnen met de vraag welke buitenlandse bedrijven wij naar Curaçao kunnen lokken. Ik zou eerst inventariseren welke kennis Curaçao al bezit en welke mondiale problemen daarmee kunnen worden opgelost.
Daaruit komen opmerkelijk concrete mogelijkheden naar voren. Onze haven kan de basis worden voor een hoogwaardige maritieme industrie: onderhoud en refitting van superjachten, marine engineering, elektronica, crewtraining, bevoorrading, verzekeringen en juridische dienstverlening.
Niet alleen jachten ontvangen. Kennis verkopen rondom alles wat nodig is om ze operationeel te houden. Onze ervaring met water kan uitgroeien tot een Caribbean Water Technology Centre waar ontzilting, waterrecycling, energiezuinige waterproductie, droogtebestrijding en opleidingen samenkomen.
Onze ligging kan worden gebruikt voor gespecialiseerde logistiek: medicijnen, medische apparatuur, gekoelde goederen, hoogwaardige onderdelen en regionale distributie. Onze zon en wind kunnen gekoppeld worden aan energieopslag, duurzame havenactiviteiten en op termijn toepassingen rond groene waterstof.
Onze zee kan meer opleveren dan stranden voor toeristen. Marine biotechnology onderzoekt toepassingen van mariene organismen voor onder andere medicijnen, voeding, cosmetica en nieuwe materialen.
En voedselzekerheid kan zelf een industrie worden door hydroponics, aquaponics, vertical farming, duurzame aquacultuur en voedselverwerking te combineren met onderzoek en onderwijs. Daarbovenop ligt een digitale laag. AI, cybersecurity, compliance, softwareontwikkeling en meertalige zakelijke dienstverlening vragen niet om duizenden hectares industriegrond. Zij vragen vooral om mensen, betrouwbare digitale infrastructuur, goed onderwijs en een geloofwaardige rechtsorde.
Precies daar kan een klein eiland concurreren. Onderwijs moet midden in de economische strategie staan. Daarmee komen we bij iets wat ik in economische discussies op Curaçao nog te weinig hoor: onderwijs is geen sociale bijzaak van economisch beleid. Het is economische infrastructuur. Als wij besluiten dat watertechnologie een strategische sector wordt, moeten opleidingen daarop aansluiten.
Hetzelfde geldt voor maritime engineering, AI, cybersecurity, logistiek, duurzame energie, biotechnology en ondernemerschap. Bedrijven, universiteiten, beroepsonderwijs en overheid moeten daarom niet ieder hun eigen plan maken. Ze moeten samen economische ecosystemen bouwen. Singapore laat opnieuw zien waarom. De ontwikkeling van industrie werd daar bewust verbonden met R&D, digitalisering en het ontwikkelen van vaardigheden voor nieuwe technologieën. (Economische Ontwikkelingsraad).
Dat is het verschil tussen banen creëren en economische capaciteit opbouwen. Banen kunnen verdwijnen wanneer een investeerder vertrekt. Kennis blijft in mensen zitten. Misschien heeft CINEX daarom een andere opdracht nodig. Ook voor CINEX ligt hier volgens mij een interessante vraag. Investment promotion wordt traditioneel gezien als het aantrekken van investeerders.
Maar misschien moet de volgende fase zijn: niet bedrijven zoeken voor Curaçao, maar economische clusters ontwerpen en vervolgens de juiste bedrijven, kennisinstellingen en investeerders daarbij zoeken.
Dat klinkt als een nuance. Het is strategisch een wereld van verschil. Een investeerder bepaalt dan niet langer wat onze economie wordt. Curaçao bepaalt welke economie het wil bouwen en zoekt vervolgens de partners die daarbij passen. Daarom zou bijvoorbeeld een Caribbean Blue Innovation Campus interessant kunnen zijn.
Geen nieuw overheidsgebouw met een mooi bord bij de ingang, maar een fysieke en organisatorische omgeving waarin watertechnologie, maritime technology, renewable energy, marine biotechnology, AI, beroepsonderwijs, universitair onderzoek, startups en internationale bedrijven bij elkaar worden gebracht.
Daar kan kennis worden ontwikkeld. Daar kunnen Curaçaose jongeren worden opgeleid. Daar kunnen buitenlandse onderzoekers tijdelijk werken. Daar kunnen startups ontstaan. Daar kunnen internationale bedrijven experimenteren met technologie die specifiek geschikt is voor kleine eilanden en tropische omstandigheden.
En juist dát kan uiteindelijk een exportproduct worden. Het IMF waarschuwt ons eigenlijk al. Dit is bovendien geen discussie voor ergens in 2040. Het IMF constateerde in zijn analyse van Curaçao dat de economie inmiddels sterk door toerisme wordt gedragen, terwijl de snelle groei van toerisme ook structurele effecten heeft gehad. Het IMF wijst expliciet op toeristische verzadiging en benadrukt het belang van diversificatie, hogere vaardigheden en duurzame groei. Voor de middellange termijn verwacht het IMF dat de economische groei richting ongeveer 2 procent afzwakt. (IMF)
Daarmee krijgen wij eigenlijk een waarschuwing cadeau. Toerisme blijft belangrijk. De financiële sector blijft belangrijk. Gaming kan, mits streng gereguleerd, onderdeel van de economie blijven. Maar geen van deze sectoren ontslaat ons van de verplichting een volgende economische motor te bouwen. De echte rijkdom van Curaçao.
Daarmee kom ik terug bij de discussie over de gokindustrie. Misschien zit de belangrijkste les niet in de vraag wie politiek gelijk of ongelijk heeft. De belangrijkere les is dat een land zijn economische strategie nooit hoofdzakelijk moet bouwen rond de vraag: Waar kunnen wij snel geld vandaan halen?
Een land moet zich afvragen: Welke kennis kunnen wij opbouwen die de wereld straks nodig heeft? Singapore deed het met industrie, logistiek, technologie en kennis. Israël deed het onder andere met watertechnologie. Andere kleine economieën hebben vergelijkbare keuzes gemaakt door hun beperkingen juist als uitgangspunt voor specialisatie te gebruiken.
Curaçao kan hetzelfde doen. Maar daarvoor moeten wij één hardnekkige gedachte loslaten: dat economische ontwikkeling vooral begint met geld. Het begint met kennis. Daarna komen mensen. Dan instituties. Dan infrastructuur. Dan ondernemerschap. En uiteindelijk komt het kapitaal juist naar plekken waar die combinatie aanwezig is.
Misschien moeten wij daarom iets minder energie besteden aan de vraag hoeveel miljoenen een vergunningenstelsel volgend jaar kan opleveren. En veel meer aan de vraag welke miljardenindustrie Curaçaose kennis over twintig jaar kan hebben voortgebracht. Een klein land kan zich geen kleine economische gedachtegang veroorloven.
Wij hoeven onze toekomst niet te gokken. Wij kunnen haar ontwerpen.
Orlando Meulens
Bezoekers van Nu.cw kunnen ingezonden reacties mailen naar redactie@nu.cw. Lezers die brieven, ingezonden stukken of reacties sturen ter publicatie, verlenen door inzending onbeperkt toestemming het materiaal te publiceren. NU.cw is niet verantwoordelijk voor de inhoud van ingezonden reacties.












