In maart berichtten het Antilliaans Dagblad en NU.cw over de omvang van het gokken op Curaçao. Volgens onderzoek waarnaar de Curaçao Gaming Authority verwijst, doet 59 procent van de bevolking mee aan een vorm van gokken. Naar schatting heeft tussen de 1 en 3 procent van de bevolking daadwerkelijk te maken met problematisch gokgedrag of gokverslaving. Omgerekend gaat het om ongeveer 1.450 tot 3.650 mensen. De toezichthouder waarschuwde daarom niet alleen voor financiële schade, maar ook voor spanningen binnen gezinnen en andere persoonlijke problemen.
De eerste reactie ligt voor de hand: mensen moeten leren beter met hun geld om te gaan. Wie onvoldoende heeft om de maand door te komen, hoort zijn geld niet in een casino achter te laten. Daar valt weinig tegen in te brengen.
Maar daarmee maken wij het probleem ook kleiner dan het is.
Want waarom gelooft iemand die nauwelijks rondkomt dat gokken een uitweg kan bieden? Waarom wordt de kleine kans op een grote prijs aantrekkelijker dan de zekerheid van langzaam vooruitgaan? En waarom verwachten wij van mensen dat zij verstandig langetermijnbeslissingen nemen, terwijl hun dagelijks bestaan vooral uit financiële noodsituaties bestaat?
Het casino is in deze discussie zichtbaar. Het onderliggende patroon veel minder.
Een huishouden van twee volwassenen en twee kinderen had volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek in 2024 minimaal 3.252 gulden netto per maand nodig om niet onder de armoedegrens te vallen. In 2025 steeg die grens naar 3.337 gulden en per 1 januari 2026 naar 3.404 Caribische gulden. Voor één volwassene met twee kinderen ligt de grens in 2026 op 2.593 gulden. Voor een alleenstaande bedraagt zij 1.578 gulden.
Dat zijn geen bedragen waarmee men ruim leeft. Het CBS bedoelt hiermee het minimale inkomen dat nodig is om in de basisbehoeften te voorzien.
Tegelijkertijd bedraagt het wettelijke minimumloon in 2026 11,93 Caribische gulden per uur. Zelfs wie voltijds werkt, komt daarmee als enige kostwinner in een gezin niet vanzelf boven de armoedegrens uit. Armoede op Curaçao is dus niet uitsluitend een probleem van werkloosheid. Een deel van de bevolking werkt, maar verdient onvoldoende om een huishouden zelfstandig boven de bestaansgrens te houden.
Dat blijkt ook uit de cijfers over inkomen. In 2023 verdienden ruim 21.000 werkenden volgens de volkstelling niet meer dan 2.500 gulden per maand. Daaronder bevonden zich meer dan 9.000 mensen in de inkomensgroep van 2.001 tot 2.500 gulden en ruim 5.000 mensen die tussen 1.501 en 2.000 gulden verdienden. Bijna 12.000 werkenden rapporteerden hun inkomen overigens niet, waardoor voorzichtigheid bij de interpretatie nodig blijft. Maar het patroon is duidelijk: werk hebben betekent op Curaçao nog lang niet dat een huishouden financieel veilig is.
En dan komen wij bij een ongemakkelijke werkelijkheid.
De Curaçaose economie is de afgelopen jaren gegroeid. Het aantal werkenden steeg van 66.722 in 2022 naar 71.919 in 2024. De werkloosheid daalde in dezelfde periode van 13,1 naar 7,8 procent. Onder jongeren daalde zij van 29,8 naar 16,3 procent. Dat is wezenlijke vooruitgang.
Maar in 2023 leefde nog altijd 30,4 procent van de huishoudens onder de armoedegrens. Arme huishoudens zaten gemiddeld 11 procent onder die grens. Bovendien nam de ernst van de armoede onder de armste groepen toe. Bij alleenstaande ouders met twee kinderen leefde 41 procent onder de armoedegrens. Bij alleenstaanden was dat 39,4 procent.
De armoede is bovendien sterk geconcentreerd. In Scharloo leefde volgens de volkstelling 57,1 procent van de huishoudens onder de armoedegrens. In Fortuna en Paradijs was dat 53,2 procent en in Koraal Specht 51,2 procent. Daartegenover stonden Zeelandia met 2,5 procent, Mahaai met 3,8 procent en Spaanse Water met 4,6 procent.
Dat verschil kan onmogelijk alleen worden verklaard door individueel gedrag of onvoldoende kennis van geldbeheer.
Wij hebben hier te maken met buurten waar armoede zich stapelt. Een lager inkomen komt er vaker samen met slechtere huisvesting, gezondheidsproblemen, beperkte digitale toegang, minder succesvolle voorbeelden, zwakkere sociale netwerken en grotere afstand tot onderwijs en werk. Het CBS spreekt daarom terecht van multidimensionale armoede. In 2023 leefde bijna 8 procent van de bevolking gelijktijdig met tekorten op meerdere essentiële levensgebieden. Gezondheid speelt daarin inmiddels een grotere rol, terwijl ook onderwijs, werk, woonomstandigheden en digitale middelen bepalend blijven.
Daarom is de grootste fout die Curaçao maakt in de strijd tegen armoede dat wij armoede zelf als het probleem behandelen.
Armoede is het zichtbare eindresultaat van een keten die veel eerder begint.
Een kind wordt geboren met mogelijkheden. Daarna volgen opvoeding, gezondheid, taalontwikkeling, onderwijs, zelfvertrouwen, vaardigheden, werkervaring, sociale contacten, toegang tot financiering en kansen op de arbeidsmarkt. Pas aan het einde van die keten staat inkomen.
Wanneer een kind thuis onvoldoende taal meekrijgt, op school achterstand oploopt, vroegtijdig uitvalt, geen mentor of netwerk heeft en vervolgens alleen laagbetaald of tijdelijk werk vindt, ontstaat armoede niet door één verkeerde keuze. Zij ontstaat door een opeenstapeling van zwakke schakels.
Wie daarna meerdere keren probeert vooruit te komen en telkens vastloopt, past zijn verwachtingen aan. Men gaat minder ver vooruitkijken. Een onverwachte rekening wordt belangrijker dan een opleiding die pas over drie jaar iets oplevert. Een directe bijverdienste wint het van een langetermijninvestering. En de kleine kans op een casinowinst kan aantrekkelijker gaan lijken dan een arbeidsmarkt waarop hard werken niet altijd voldoende bestaanszekerheid oplevert.
Dat maakt gokken nog steeds geen verstandige keuze. De persoonlijke verantwoordelijkheid verdwijnt niet. Maar wie alleen naar de laatste keuze kijkt en niet naar de reeks omstandigheden die daaraan voorafging, bedrijft morele verontwaardiging in plaats van beleid.
De aanpak in 2026 moet daarom op twee sporen tegelijk plaatsvinden.
Mensen die vandaag tekortkomen, moeten direct worden geholpen. Een moeder die maaltijden overslaat zodat haar kinderen kunnen eten, kan niet wachten op een onderwijshervorming die over tien jaar resultaat oplevert. De Ombudsman meldde in april dat zulke gevallen nog steeds voorkomen. De regering verstrekte in mei en juni een tijdelijke toeslag van 100 gulden aan ongeveer 34.700 kwetsbare inwoners, onder wie AOV’ers en mensen met een onderstandsuitkering. Dat biedt tijdelijke verlichting, maar honderd gulden verandert de structurele positie van een huishouden niet.
Directe steun moet daarom worden gekoppeld aan een persoonlijk ontwikkeltraject. Niet als straf en ook niet vanuit de gedachte dat de arme zelf het probleem is. Het doel moet zijn om per huishouden vast te stellen welke concrete blokkades zelfstandigheid verhinderen. Is het inkomen te laag? Ontbreekt kinderopvang? Is er schuld? Heeft iemand geen diploma, vervoer, digitale vaardigheid of toegang tot zorg? Wordt een buitenlandse kwalificatie niet erkend? Of verdient een werkende eenvoudigweg te weinig?
Eén loket moet vervolgens de verantwoordelijkheid krijgen om die blokkades samen met het huishouden weg te nemen. Nu wordt iemand te vaak van Sociale Ontwikkeling naar Onderwijs, van Onderwijs naar Arbeid en vervolgens naar een andere instantie gestuurd. De burger draagt dan de last van een overheid die zelf verkokerd is georganiseerd.
Daarnaast moet de regering niet langer alleen meten hoeveel geld aan armoedebeleid wordt uitgegeven. Zij moet jaarlijks openbaar maken hoeveel huishoudens boven de armoedegrens zijn gekomen, hoeveel daar na twee jaar nog steeds boven zitten, hoeveel werkenden ondanks hun baan arm blijven en welke buurten aantoonbaar vooruitgaan.
De aanpak moet bovendien per buurt verschillen. Scharloo, Fortuna, Paradijs en Koraal Specht vragen om een veel intensievere inzet dan buurten waar nauwelijks armoede voorkomt. Dat betekent wijkteams waarin sociale hulp, schuldbegeleiding, gezondheidszorg, onderwijs, werkgevers en woningbeleid bij elkaar komen. Niet nog een algemeen programma voor het hele eiland, maar een gerichte investering waar de problemen zich aantoonbaar opstapelen.
Het onderwijs moet eerder ingrijpen. Kinderen met taal- of leerachterstanden moeten niet jarenlang worden doorgeschoven tot zij uiteindelijk uitvallen. Scholen moeten vanaf jonge leeftijd naast taal en rekenen ook leren omgaan met geld, plannen, digitale middelen, werk en ondernemerschap. Maar financiële educatie alleen is onvoldoende. Iemand kan uitstekend leren budgetteren en nog steeds structureel te weinig verdienen.
Daarom moet ook de arbeidsmarkt veranderen. Grote hotels, bouwprojecten, zorginstellingen en overheidsbedrijven die profiteren van economische groei, moeten aantoonbaar bijdragen aan opleiding, leerwerkplaatsen en doorgroei van lokale werknemers. Niet alleen tijdelijke banen aan de onderkant, maar een route van instroom naar vakmanschap, specialisatie en hoger inkomen.
De cijfers laten namelijk zien dat Curaçao geen gebrek heeft aan economische activiteit. In 2024 ontving het eiland ruim 700.000 verblijfstoeristen en bijna 835.000 cruisepassagiers. De vraag is dus niet alleen hoeveel bezoekers komen, maar hoeveel lokale gezinnen door die groei duurzaam boven de armoedegrens komen.
Ook de bevolking heeft een verantwoordelijkheid. Ouders moeten het lezen, leren en plannen thuis ondersteunen. Werkenden zullen nieuwe vaardigheden moeten blijven ontwikkelen. Ondernemers kunnen jongeren werkervaring en mentorschap bieden. Professionals en de diaspora kunnen kennis, contacten en begeleiding teruggeven. In buurten waar weinig succesvolle beroepsvoorbeelden zichtbaar zijn, kan één betrokken mentor het verschil maken tussen vroeg opgeven en blijven proberen.
Maar ook hier moeten wij eerlijk blijven. Zelfvertrouwen ontstaat niet door iemand toe te spreken en te zeggen dat hij harder in zichzelf moet geloven. Zelfvertrouwen ontstaat wanneer inspanning geregeld tot een zichtbaar resultaat leidt. Wie een opleiding volgt, moet daarna een reële kans op werk hebben. Wie een onderneming begint, moet niet maandenlang vastlopen in vergunningen. Wie meer uren gaat werken, mag niet door het verlies van steun uiteindelijk minder overhouden. Het systeem moet goed gedrag daadwerkelijk belonen.
En voor gokken is een aparte aanpak nodig. Voorlichting over verantwoord gokken is nuttig, maar ontoereikend in een samenleving waar 59 procent aan een vorm van gokken deelneemt en duizenden mensen risico lopen op problematisch gedrag. Casino’s en andere aanbieders moeten verplicht vroegtijdig ingrijpen bij zichtbaar risicogedrag, duidelijke verlieslimieten hanteren en bijdragen aan een onafhankelijk fonds voor behandeling, schuldhulp en onderzoek. De overheid kan niet tegelijk inkomsten uit gokken accepteren en de maatschappelijke schade hoofdzakelijk aan gezinnen overlaten.
De kern is daarom eenvoudig.
Curaçao moet stoppen met armoede uitsluitend te behandelen als een tekort aan geld of een tekort aan financiële discipline. Geld is noodzakelijk. Wie onder de armoedegrens leeft, heeft allereerst onvoldoende financiële ruimte. Maar daarachter liggen onderwijs, gezondheid, gezinssituatie, woonomgeving, arbeidsmarkt, beloning, sociale netwerken en vertrouwen in de toekomst.
De grootste fout die Curaçao maakt in de strijd tegen armoede, is dat wij steeds proberen het eindresultaat te repareren terwijl wij de ontwikkelingsketen grotendeels ongemoeid laten.
Een goede regering verhoogt waar nodig het inkomen, maar blijft daar niet steken. Zij verwijdert de blokkades die mensen verhinderen zelfstandig vooruit te komen. Zij verbindt onderwijs met werk, economische groei met lokale inkomens en sociale hulp met persoonlijke ontwikkeling. En zij maakt per buurt en per huishouden zichtbaar of die aanpak werkelijk resultaat oplevert.
Misschien moet daarom iedere begroting, iedere investering en ieder nieuw economisch project voortaan langs één eenvoudige vraag worden gelegd:
Helpt dit aantoonbaar om meer Curaçaose huishoudens duurzaam boven de armoedegrens te brengen?
Wanneer het antwoord niet duidelijk is, bestrijden wij opnieuw symptomen.
Een goede regering bestrijdt armoede niet alleen met geld. Zij bouwt een samenleving waarin talent zich kan ontwikkelen, werken voldoende loont en steeds minder mensen afhankelijk blijven van hulp, toeval of de hoop op een prijs in het casino.
Dat is geen afzonderlijk sociaal programma.
Dat is de hoogste vorm van goed bestuur.
Orlando Meulens












