Een vrouw die hybride auto’s importeert, heeft volgens Ochtendblad Extra gelijk gekregen in een zaak tegen een belastinginspecteur die een te hoog tarief rekende. In plaats van het correcte invoerrecht van 10%, werd 27% in rekening gebracht.
De discussie ging om de vraag of het voertuig moest worden gezien als hybride met het tarief van 10%. De rechtbank oordeelde dat een hybride motor niet alleen volledig elektrisch hoeft te kunnen rijden. Het doorslaggevende punt was dat de combinatie van de verbrandingsmotor en elektromotor bijdraagt aan het voortbewegen van de auto.
De vrouw had in december 2023 een voertuig van bouwjaar 2024 geïmporteerd met een douanewaarde van 107.030 Caribische gulden. Het totale invoerbedrag bedroeg 38.530,10 Caribische gulden, inclusief invoerrechten en omzetbelasting. Zij betaalde aanvankelijk het te hoge tarief van 27%, maar krijgt nu het verschil terug.
De inspecteur had gesteld dat de wet geen mild-hybridesysteem kent en het voertuig daarom onder het benzineautotarief viel. De rechtbank verwierp dit standpunt en wees erop dat de wet geen technische criteria voor hybride systemen bevat en geen onderscheid maakt tussen mild-, full- of plug-in hybrid. De inspecteur moet 18.195,10 Caribische gulden terugbetalen.










